Historie
Die Februarflut von 1825
Die schwere Sturmflut von 1953 in Holland hat große Schäden und Leid verursacht. Diese Katastrophe hatte aber auch positive Auswirkungen auf lange Sicht. Die ‘Deltawerken’, Infrastruktur und ökonomische Entwicklung wurden verbessert. Diese Naturkatastrophen haben aber eine lange Geschichte, nicht nur in Holland aber auch in Danmark und Norddeutschland. Auf der Basis des Lehrbuchs von Albert Brahms von 1767, begannen sich Ingenieure des Deichbaus anzunehmen. Schon damals gab es einen Anstieg des Meeresspiegels, obwohl noch nicht erkannt. Die nordfriesischen Inseln im Wattenmeer und die dänischen Küste waren schon oft betroffen und der Deichbau war auch dort sehr wichtig.
Die Februarflut vom 3 und 4. Februar 1825 war aber sehr dramatisch. Auf den Inseln ertranken viele menschen, tausende Stück Vieh kamen um und viele Häuser wurden zerstört. Auch der Limfjord in Nordjütland war betroffen. Die Flut zerstörte den Deichbau und das wasser im Limfjord wurde Salz. Die Fischerei, die ökonomie und damit das Kulturland änderten sich. Die Katastrophe war auch ein Katalysator für Innovation und Entwicklung und die Snurrevod Fischerei, erfunden in 1848. Gegen Mitte des 19. Jahrhunderts kam im Limfjord eine umfassende Kutterfischerei nach Schollen mit Netz oder Wade (Snurrevod) in Gang. Diese erfolgreiche Geschichte hat nicht oder jedenfalls nicht so schnell stattgefunden ohne die Februarflut von 1825. Während der Sturmflut entstand der Aggerkanal, der drei Kilometer nördlich des heutigen Thyborøn kanal lag. Die Strömung zwischen der Nordsee und dem Limfjord war so groß, dass der Kanal im Jahr 1849 eine Breite von 440 Metern erreichte. Im Jahr 1834, neun Jahre nach der Katastrophe, durchfuhren die ersten Schiffe den Kanal. Der Durchbruch der Nordsee führte im westlichen Limfjord zu einem kräftigen Aufschwung für den Handel und markanten Wachstum für die Städte. So passierten im Jahr 1855 bereits 1800 Schiffe den Kanal, der danach allerdings allmählich wieder versandete. Nach einer Sturmflut im Jahr 1862, bei der der Thyborøn-Kanal entstand, wurde die Schifffahrt durch den Aggerkanal Mitte der 1860er Jahre aufgegeben. 1875 folgte die Sperrung und der Thyborøn-Kanal ersetzte den Aggerkanal.(Tekst: D. Meier, Die Nordseeküste. Geschichte und Landschaft (Heide 2007).
Agger Tange und Nissum Bredning, c. 1900. Photo: Frems Amtskort over Danmark.
Wikipedia.
De H.V. Buhl werf
De H.V. Buhl werf werd in 1870 opgericht door de toen 25 jarige Harald Valdemar Buhl (1845-1927) uit Frederikshaven. De werf zou lange tijd de belangrijkste werkgever en scheepsbouwer in Frederikshaven blijven en onder diverse namen en nieuwe eigenaars is zij tegenwoordig bekend onder de naam ‘Danyard’. De twee andere scheepswerven in Frederikshaven waren van Jens Nicolai Olsen, de bouwer van de Rexona, en H. Nielsen. Deze scheepswerven bestaan niet meer en de archieven zijn ook niet overgeleverd. Het volledige archief van H.V. Buhl scheepswerf wel is bewaard gebleven en een geeft een schat aan informatie. H.V. Buhl ontwierp in tegenstelling tot de werf van J.N. Olsen ook zijn eigen schepen. J.N. Olsen maakte vooral gebruik van de ontwerpen van de bekende scheepsbouwarchitect Eggert Christopher Benzon (1825-1912).
Een van interessante vondsten in het archief van Buhl is de originele bouwtekening van de Memel, gebouwd in 1903 voor een Duitse vissersvereniging. De dwarsdoorsnede geeft een goed inzicht in de bouw van de zogenaamde Frederikshaven kotters en is ook van belang voor de Rexona, van wie de bouwtekeningen niet zijn teruggevonden. De bezaanmast en de mast zijn de twee centrale punten. Voor de mast is de slaapruimte van de bemanning te zien, daarachter zit de bun, de ruimte waar de vis levend werd bewaard. Voor de bezaanmast is de eerste mechanisering te zien. Kleine hulpmotoren van 4-20 pk waren met name bedoeld om de netten binnen te halen en het manoeuvreren te vergemakkelijken. Het zeil bleef vooralsnog de belangrijkste voorstuwing. Het archief wordt beheerd door het Bangsbomuseum in Frederikshaven.
De bouw voor kotters voor de snurrevaadvisserij beleefde gouden dagen aan het einde van de negentiende eeuw. De arbeidskrachten waren goedkoop, omdat veel landarbeiders en (berooide) boeren naar de steden trokken en er was een grote vraag naar vis. De visserij, scheepsbouw en aanleverende en visverwerkende bedrijven groeiden explosief. Daarnaast was Frederikshaven ook de spil in het Noordse scheepvaartverkeer met scheepvaartlijnen naar onder andere Oslo, Kopenhagen en Gøtenborg. De Deense regering zette zich ook actief voor de zeevisserij in en al in 1860 benoemde de regering een visserijcommissaris. De Deense regering steunde zo ook de ontwikkeling van de scheepswerf in 1870. Het eerste schip dat van stapel liep was de schoener Anna & Marie, die in 1871 werd opgeleverd. Het eerste schip met hulpmotor was de Haabet (1873). Een van de specialiteiten en innovaties van de werf was de ‘brønd’ of ‘dam’, de ruimte waar de platvis levend bewaard kon worden. Hierdoor kon de vis vers worden opgeleverd, wat in die tijd een zonder diepvries (afgezien van ijsblokken) een belangrijke vooruitgang was. De historie van de scheepsbouw in de periode 1870-1920 is uitvoerig beschreven in diverse publicaties en aan de hand van het archief in het Bangsbomuseum en andere bronnen. (Jaarboek Bangsbomuseum 1998, H.V. Buhl og hans Værft i Frederikshavn (Bangsbo 1998).

Frederikshaven met zicht op de H.V. Buhl werf c. 1900.
(Photo: Bangsbo museum Frederikshaven).



