Rexona

De Rexona: Terug naar de roots. Het Nederlandse Verhaal van een Deense Kotter.

Viskotter

 

Viskotters voor snurrevaadvisserij

 

De snurrevaadvisserij (snurrevodfiskeriet in het Deens, waarbij vod visnet en snurre slepen  betekent of Danish Seine in het Engels) is in 1848 uitgevonden door de Deen Jens Laursen Vaever. Bij deze methode wordt een groot stuk van de zeebodem door lange zeetouwen (kabels of lijnen genoemd) en een visnet omsloten waarna de touwen naar het schip worden toegehaald. De vis wordt door de touwen opgejaagd en belandt uiteindelijk in het visnet. Frederikshaven was de eerste zeehaven waar de snurrevaadvisserij vanaf 1880 op grote schaal ingang vond voor visserij in de Oostzee, het  Skagerak en Noordzee.Tot deze tijd was de vangst van haring, kabeljauw en schelvis de belangrijkste bron van inkomsten. Dit veranderde met deze nieuwe vismethode, omdat platvis in grote hoeveelheden gevangen werd en meer opbracht. De Rexona is een van de grotere kotters, die voor de Snurrevodvisserij werd gebouwd.  De snurrevaadvisserij betekende een revolutie en in korte tijd raakte deze methode in zwang in Engeland, Schotland, Zweden, IJsland en Ierland. In Nederland werd deze methode pas vrij laat, na de Eerste Wereldoorlog, door Urker vissers voor de Zuiderzee en Waddenzee  geïntroduceerd. In Nederland zou deze methode echter niet aanslaan.

 

Het succes van de snurrevaadvisserij betekende een grote opleving voor de Deense economie en voor de Westkust van Jutland in het bijzonder. Naast Frederikshaven kwamen ook andere havenstadjes tot grote bloei. Esbjerg groeide zelfs uit tot de grootste haven van Denemarken.  De vraag naar grotere visserboten hield gelijke tred met deze economische opleving. Hoe groter de boot, des te verder en langer kon er gevist worden. Er werden steeds betere visgronden ontdekt, zoals de Doggersbank, circa 200 km van Esbjerg.

 

Een aantal andere factoren droeg ook bij aan de opleving van de visserij. In de eerste plaats was het vanaf 1898 mogelijk een lening van de staat te krijgen voor de bouw van een vissersboot. De staat onderkende daarmee het grote economische potentieel van de visserij-industrie. Bovendien verbeterden de transportmogelijkheden en nam de vraag in de snel groeiende (industrie) steden toe. Daarnaast zorgden de beschikbaarheid en toepassing van de eerste motoren voor een effectievere visserij. Deze bloei zou aanhouden tot 1914. Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog maakte de zeevisserij tot 1918 een moeilijke tijd door. Na deze oorlog was het tijdperk van de houten zeilboten  definitief voorbij en zouden gemechaniseerde viskotters het beeld gaan bepalen. De bestaande zeilschepen werden alle voorzien van zware dieselmotoren en het zeil zou nog slechts een hulpmiddel blijven.  

 

 


Bemanning

 

De bemanning van een viskotter bestond uit 5 tot 6 opvarenden. Een schip was vaak voor langere tijd op zee, waarbij de gevangen platvis in de bun in leven werd gehouden om zo vers mogelijk verkocht te kunnen worden. Soms werd de vis ook tussendoor opgehaald door een kotter voor transport. Dit was altijd een snelle zeiler.  Een van de grootste gevaren voor de vissers was verstrikt te raken in de kilometers touw aan boord. Het Snurrevod impliceerde het uitzetten van het net over een groot gebied en het gebeurde regelmatig dat vissers met hum been of voet bekneld raakten en zo in zee terecht kwamen. Vooral bij harde wind kon dit fatale gevolgen hebben. De vissers kenden de gevaren van de zee en het beroep en ongelukken waren als het ware het risico van het vak, dat veelal generaties werd uitgeoefend.  De bemanning was meestal trots op haar schip en poseerde graag in vol ornaat bij gelegenheid. Op de onderstaande foto is de bemanning van de Frederikshaven kotter FN 48  Nordsøen afgebeeld tijdens een verblijf in Kopenhagen in 1913. De bolhoed is als het ware het gala-uniform van de Deense visser.

 

 

Photo: A. Hjorth Rasmussen, Vejen til  Nordsøen. Det søgaende

snurrevodsfiskeris gennembrud i Nordsøen og Skagerak 1884-1903

(Hirtshals 1984).