Oostzee
Skagen
Skagen wurde ab 1880 jahrenlang Treffpunkt für dänische, skandinavische, englische und deutsche Künstler. Der wichtigste Grund dazu ist in der Tatsache zu suchen, dass es modern geworden war, dem Motiv direkt gegenüber im Freien zu mahlen. Die Freilichtmalerei war international, ermöglicht durch die neuen Technieken und Attributen, und in Skandinavien war sie Teil des modernen Durchbruchs der Malerei, welcher in den frühen 1880er Jahren mit Inspiration und Erfahrung aus Frankreich (beziehungsweise Impressionismus) stattfand. Schon in den 1870er Jahren bahnten sich Änderungen in der dänischen Kunstwelt an. Die unzufriedenheit mit der Kunstunterricht in der Kunstakademie wuchs gleichzeitig, wie überall in Europa. In Skandinavien wurde der Begriff im Sommer 1879 erst richtig bekannt, als eine Reihe skandinavischer und deutscher Maler sich trafen in Skagen. Da kann man zum ersten mahl von einer Künstlerkolonie sprechen. Skagens großartige Natur, das Meer, das Licht und der Alltag in der kleinen Fischerssiedlung boten einen Reichtum an neuen und interessanten Motiven.
In Skagen befanden sich die Künstler weit von der etablierten Kunstwelt entfernt, und hier konnten sie Bedingungen und entwicklung der Kunst frei diskutieren und unter eigen Bedingungen mit der Malerei experimentieren. Die Skagen Maler wurden zum Begriff. Die gemälde, die in Skagen geschaffen wurden, schilderten sowohl die Ort, als auch Seine Bewohner, die Fischerei, das Dorf und die Künstler selbst. Gleichzeitig nahmen auch Tourismus und Strandleben zu. Und so ist es noch immer. Die Künstlerkolonie gibt est nicht mehr, aber bis zum heutigen Tag kann man von einem lebendigem, künstlerischem Umfelt reden. Das eigenartige Licht über Skagen ist unverändert und die Natur ist mit den beiden Meeren und den weiten Stränden, Heiden und Dünen nach wie vor ein Überwältigendes Erlebnis. Tekst: Nordjütland: die Kunstgeschichte. Mit den Museen durch Nordjütlands Kultur und Geschichte (Aalborg 2004).
.png)
Frits Thaulow (1847 - 1906), heimkehrende Fischer, 1879. Photo: Wikipedia
Frederikshaven 1899
De geboorteplaats van de Rexona is Frederikshaven, gelegen aan de Oostzee en het Skagerak in het Noorden van Denemarken. Frederikshaven was aan het einde van de negentiende eeuw een belangrijke handels-en vissersplaats. De geschiedenis van de Hanze en de invloed van kooplieden uit Holland in de daaropvolgende eeuwen zijn overigens langs de hele Oostzeekust te zien. In de architectuur komt dit tot uitdrukking in onder andere Kopenhagen, Gotenborg in Zweden of in het kleine plaatsje Dragor, ten Noorden van Kopenhagen. Dragor is de vestigingsplaats van Nederlandse immigranten in de zestiende eeuw en het Amager museum in Dragor besteedt daar uitgebreid aandacht aan. De Oostzee is voor Nederland vanouds een belangrijk handelsgebied geweest. Veel op de Oostzee gevangen vis werd door Nederlandse handelaren vervoerd. De revolutionaire veranderingen in het transportwezen zorgden er vanaf het einde van de negentiende eeuw voor dat de vis (met name haring, platvis, kabeljauw) snel zijn weg vond naar de grote steden en geürbaniseerde gebieden.
De Rexona heeft veel op de Oostzee gezeild, getuige ook een politierapport uit 1960, waarin melding wordt gemaakt van een aanvaring van de Rexona met een andere schip aan een kustplaats aan de Oostzee. De Rexona lag aangemeerd en trof, voor de goede orde, overigens geen blaam. De rijke visserij- en handelshistorie van het Balticum zullen centraal staan in dit onderdeel, waarbij de aandacht met name uitgaat naar steden die traditionele banden met Nederland hebben. De Rexona hoopt vanaf volgend jaar weer op de Oostzee te kunnen zeilen, waarbij overigens het beruchte Kattegat zoveel mogelijk vermeden zal worden. Het Limfjord bij Lemvig en het Noordzee-Oostzee kanaal zijn zeer geschikte routes om op de Oostzee te komen.

Frederikshavn, 1900. Photo: Bangsbo museum Frederikshavn.
Hollands glorie aan de Oostzee
In 1515 werd Karel V Koning van Spanje en soeverein van Holland, het opkomende graafschap in de Lage Landen. Vlaanderen, Brabant en het Hertogdom Gelre(dat pas in 1543 formeel onder de Habsburgse heerschappij kwam bij het Verdrag van Venlo) waren op dat moment economisch, cultureel en politiek nog veel belangrijker. Amsterdam was nog een kleine stad en het gebied boven Amsterdam, het Waterland, was een arm agrarisch gebied. In 1515 emigreerden veel boeren uit het Waterland naar de streek rond het stadje Amager, ten noorden van Kopenhagen. Koning Christiaan II, die in 1513 koning van Denemarken en Noorwegen was geworden, bekrachtigde de status van de Hollandse immigranten per koninklijk privilege in 1521. Hierin stonden de rechten en plichten beschreven. aanvankelijk waren er nogal wat conflicten met de locale bevolking, die de immigranten eerder als concurrenten dan als medeburgers zagen. Hoe het ook zij, in 1547 bevestigde koning Christiaan III de geprivilegieerde status van de Hollanders op diverse gebieden. Met name het recht om te wonen en bouwen en vooral het privilege om het Koninklijk slot in Kopenhagen van voedsel te voorzien was belangrijk. De moderne Hollandse agrarische landbouwmethodes en de kwaliteit van het voedsel stonden al snel in hoog aanzien. Ook bepaalde het privilege uit 1547 dat de Hollanders een eigen jurisdictie hadden en verwerving en vererving van grond vond naar Hollands recht en gebruik plaatsvonden. Daarnaast waren er vrijstelling van de herendienst en de Tiende penning. Deze belangrijke privileges zouden tot 1871 in stand blijven. Nu herinneren de Hollandse bouwstijl, bruggen, kerken en nu nog veel voorkomende verdeenste voornamen, zoals Leisbeth, Neel, Aght, Tejs, Theis, Cornelius, Dirch, Crilles, Claes, Jan en Geert en achternamen zoals Wybrandt, Zibrandtsen, Isbrandtsen, Villumsen, Raagard, Tønnesen, Jansen, Bacher en Schmidt aan het Hollandse verleden in deze streek. (Bron: www.museumamager.dk).

Photo: Amagermuseum
De Nederlandse Bruine vloot op de Oostzee
De opkomst van de Hanze leidde vanaf de 12e eeuw tot intensief handelsverkeer tussen steden in Noordwest en Oost- Europa. Deventer, Kampen, Elburg, Kopenhagen, Kiel, Dantzig zijn slechts enkele van het ongeveer tweehonderd steden tellende handelsnetwerk dat zich uitstrekte van Nederland tot Rusland. De steden waren onafhankelijk en hadden de Hanze als een soort belangenorganisatie opgericht. Het Koggeschip is het meest bekende scheeptype uit deze tijd..Graan, hout, vee, haring en luxegoederen vormden de meest verhandelde waar. Door veranderende handelsstromen nam het belang van deze handelsroute vanaf het midden van de vijftiende eeuw af en gaandeweg zouden de Hanzesteden zich op andere markten gaan toeleggen, met name door de handel en scheepvaart naar andere continenten. Duizenden schepen voeren jaarlijks naar andere Hanzesteden.
Deze bruine vloot is al lang van het toneel verdwenen. Nog steeds bevaart de Nederlandse bruine vloot echter de Oostzee. Het gaat dan om ongeveer honderd jaar oude houten zeilschepen, die veelal als charterschip dienst doen. Nederland telt ongeveer 500 historische charterschepen met een totale omzet van ongeveer 80 miljoen Euro. Vijftig ervan varen regelmatig op de Oostzee. Het gaat onder andere om driemasters, tweemasters en Tjalken. Helemaal zonder problemen gaat dit niet getuige het aan de ketting leggen van schepen door Duitse of Deense autoriteiten. Dezen staan erop dat de oude Nederlandse schepen voldoen aan de Solas-conventie. Dit is het belangrijkste internationale verdrag voor scheepsveiligheid. Het maritieme conflict suddert al jaren, maar is door enkele vaarverboden in 2008 en 2009 weer in het middelpunt van de belangstelling komen te staan. De Duitse ambassadeur is vanwege een incident in Kiel in juli zelfs op het matje geroepen. Het Nederlandse certificaat voor veiligheid voldoet in de ogen van de Deense en Duitse autoriteiten niet. Volgens Nederlandse reders hebben de Solas-regels echter betrekking op cruiseschepen en veerboten, en niet op charterschepen.
Werelderfgoed aan de Oostzee
In 1987 werd de Duitse Oostzeestad Lübeck toegevoegd aan ’s werelds culturele erfgoed van de UNESCO. De Noord-Duitse Gotische baksteen stijl vond daarmee ook haar weg in de annalen van de culturele hoogstandjes. Dat cultuur is deze stad gedijt, blijkt ook wel uit de Nobelprijs voor literatuur voor Thomas Mann en Günther Grass. Ook de Nobelprijswinnaar Willy Brandt was overigens uit Lübeck afkomstig. De stad dankt haar huidige roem echter vooral aan de prominente rol in het Middeleeuwse Hanze netwerk. Handel plaveide de weg naar de Unesco en de Nobelprijzen. De oude Buddenbrook zei het al tegen zijn zoon ‘toon betrokkenheid bij het zakendoen gedurende de dag, maar alleen zodanig dat je ’s nachts goed kunt slapen’. De kooplieden waren zich maar al te goed bewust van het belang van vrede voor een goede handel. Concordia domi-foris pax staat niet voor niets op de bekendste toren van de stad, de Holsentoren. In wedijver met de Gotische kathedralen in Frankrijk en Vlaanderen, liet de bisschop van Lübeck rond 1200 de beroemde bakstenen Maria kerk bouwen. Vele indrukwekkende (kerk) gebouwen zouden nog volgen. Scheepsbouw en zeilvaart waren een onderdeel van het dagelijkse leven in de hoogtijdagen van de Hanze. Ook nu nog is de bruine vloot te bewonderen, al heeft de nostalgie het gewonnen van de handel. Bron: K. J. Groth, Lübeck. Kulturerbe der Welt (Lübeck 2007).

Waar eens de Koggeschepen aanmeerden aan de Rivier Trave.
Photo: K. J. Groth, Lübeck. Kulturerbe der Welt (Lübeck 2007).



